Column
zondag 16 april 2017

Sjacheraars in zinsbegoocheling

Kunst is als linkse hobby niet langer salonf�hig. Het gaat verbannen worden naar spelonken, krochten en andere obscure oorden ver van de fatsoenlijke wereld. Zoals we vroeger de heksen, de bedelaars en de melaatsen wegjoegen naar onherbergzame streken, zo jagen wij eerdaags de kunstenaars met pek en veren de bewoonde wereld uit.
En het moet gezegd: dat is volstrekt rechtvaardig. Sterker nog: het is van levensbelang dat we de kunst op veilige afstand houden. Want wees maar eerlijk: kunstenaars zijn bedriegers. Het zijn handelaren in illusies, kooplieden in fata morgana's, sjacheraars in zinsbegoocheling, verspreiders van besmettelijke ziekten.
Ik kan daarover meepraten. Uit eigen ervaring. Kunst maakte namelijk deel uit van mijn opvoeding. Jazeker! Mijn vader en moeder - van goed gereformeerde huize - waren daar zeer nauwgezet in. Als ware wegbereiders van Lucebert, die in 1974 de beroemde dichtregel 'Alles van waarde is weerloos'zou schrijven, beschermden mijn ouders mij dan ook al in de vroege jaren zestig hardnekkig tegen de ontwrichtende werking van kunst. En daarom kostte de eerste keer dat ik van die verboden waar proefde mij destijds meteen een week huisarrest, een maand zakgeld en een flinke bloedneus.

Dat kwam door de postbode bij ons op het dorp. Hij heette eigenlijk Aaldert Kip, maar iedereen noemde hem Joek, naar de van de TT bekende motorcoureur Geoff Duke. Op de terugweg van zijn ronde had de postbode namelijk altijd zoveel haast thuis te komen, dat hij - voortjakkerend met de neus op het stuur - de zwarte Fongers plat door de bocht liet scheuren.
Eigenlijk verbaasde ons die haast, want Joek was getrouwd met Tinie en Tinie stond bepaald niet bekend als keukenprinses, laat staan als bijzonder aanminnig. Op de keper beschouwd was Tinie een helleveeg, het tegengestelde van alles waarover wij als schooljongens fantaseerden.
Toch kwam Joek zonder mankeren twee keer per dag als een razende het dorp in denderen om zich voor zijn huis ineens op te richten, het volle gewicht op de terugtraprem te gooien, slippend het tuinpad in te draaien en in ��n beweging door van de fiets te springen.
Daarom keek ook geen mens op, toen Joek op die milde, maar onbestendige voorjaarsdag door de dorpsstraat daverde alsof de duivel hem op de hielen zat. Wij werden pas opmerkzaam toen het gebruikelijke piepen van de banden vlak voor zijn huis overging in het nieuwe, maar onmiskenbare geluid van een fietser die tegen het asfalt smakt en zich onhoudbaar in de richting van een goedgevulde sloot voelt glijden.
Met z'n drie�n - de school was net uit - renden wij er op af. Alidus, Bert en ik. Maar een opmerkzame buurman was ons voor en had Joek al weer op het droge toen wij hijgend stilstonden.
'In de blote kont!'hoorden wij Joek reutelen als een waanzinnige toen de buurman opperde dat hij zich wellicht had verkeken op het natte wegdek. 'Compleet in de blote kont!'
Op dat moment kwam Tinie het huis uit stuiven. 'Wat is er gebeurd?`
'In de blote kont, Tinie!` riep Joek als in trance.
Meteen had hij een draai om de oren die er niet om loog. 'Gedraag je toch, man,` tierde Tinie. 'Er zijn kinderen bij.`
Wij snoven even schamper, want wij waren al twaalf. Over drie maanden wachtte de Mulo. De korte broek kon straks in de kamferballen.
Terwijl Tinie haar man het huis in joeg en de buurman het water uit de lege fietstassen van de Fongers liet lopen, vroegen wij ons af wat Joek zou kunnen bedoelen met die blote kont. En daarom renden wij naar de groentekar van Alidus z’n vader. Bij de sla, de rooie bieten en de Golden Delicious hadden we het verhaal binnen een uur compleet. De ene klant wist dit, de ander dat. Zo gaat dat in een dorp.
Het kwam er op neer dat Joek tijdens een flinke regenbui had besloten even te schuilen bij een boerderijtje achter De Haar. En door ��n van de stalraampjes had hij het toen gezien. De blote kont! In het licht van de openstaande baanderdeur. Doodstil! Die blote kont! Op een meter of drie - ja hooguit drie - van die vent achter die ezel. Die kunstenaar.

Het dorp schudde meewarig het hoofd. Geen wonder dat Joek uit de bocht was gevlogen. Een blote kont in de baanderdeur! Ja, dan wil je wel jakkeren.
Alidus, Bert en ik lachten braaf mee, maar onder elkaar gaven we af op die sukkel van een Joek. Heb je het onbelemmerde zicht op de blote kont - om over de rest van die vrouw nog maar te zwijgen - en dan ga je er halsoverkop vandoor naar je eigen kenau.

Alidus meende dat we er op af moesten. Meteen! Maar ik opperde dat het een akelig eind fietsen was. En Bert - in alles een beetje traag - liet met een langgerekt 'Oooch' weten niet meteen over te koken van die blote kont.
Maar ik had mijn besluit allang genomen. Ik zag mijzelf als ��n van de verspieders die namens het volk Israel poolshoogte ging nemen in het beloofde land. Het land van melk en honing.
De volgende dag zei ik na schooltijd tegen de jongens dat ik voor mijn vader kwitanties moest lopen.
Inderdaad, het was een akelig eind trappen naar De Haar. Bij het Berkenbosje, niet ver van het bewuste boerderijtje, legde ik de fiets in de sloot en sloop langs de houtwal naar het huis van de kunstenaar. Zonder moeite bereikte ik de zijkant van de boerderij. Gebukt schuifelde ik voetje voor voetje naar een stalraampje en kwam heel voorzichtig een beetje overeind, net voldoende om een blik naar binnen te werpen.
En waarachtig! Daar stond ze. In volle naakte glorie! Ze had prachtig rood haar, rookte een sigaret en rekte zich uit. Ik hield de adem in terwijl ik het bloed als een woeste beek door mijn hoofd voelde kolken.
Op de terugweg moet ik alle records van Joek hebben gebroken. De jongens trof ik stiekem rokend aan achter de fietsenstalling van het dorpshuis. Met de hand op het hart zwerend dat ik toevallig met een kwitantie op De Haar moest zijn, heb ik hen borsten, billen, buik en navel zo beeldend beschreven dat het Hooglied van koning Salomo er bij in het niet viel.
Zelfs Bert stond te glimmen.

De volgende dag was het woensdag. De vrije middag. Eerst even gauw langs de bibliotheek voor de nieuwe Arendsoog en toen op pad. Alidus, Bert en ik.
In het Berkenbosje op De Haar hielden wij krijgsberaad. A man 's got to do, what a man 's got to do. Daarna slopen we, zoals we dat hadden geleerd van Witte Veder, geruisloos van boom tot boom, naar het beloofde land.
Grootmoedig liet ik de anderen voor gaan bij het stalraampje. 'Daar!'
Even was het helemaal stil.
'Appels', siste Alidus toen. 'Jonathans! En stoofperen! Niks blote kont!'
Ik schoot omhoog. Door het stalraampje zag ik verbijsterd hoe de kunstenaar geconcentreerd een fruitmand naschilderde. Een fruitmand, een kruik en een blauwgeblokte theedoek op een krukje in het licht van de openstaande baanderdeur.
'Dooie dofferd!' gromde Bert tegen mij en in de draai haalde hij uit met zijn elleboog.

Het bleef niet bij die bloedneus. 's Avonds kwam er nog een week huisarrest en een maand zakgeld bij, toen de kunstenaar het bibliotheekpasje kwam terugbrengen dat uit mijn borstzak moest zijn gevallen.
Daarom snapt u vast wel dat ik kunstenaars wantrouw. Bedriegers zijn het. Sjacheraars in zinsbegoocheling.