Boeken

Fragment uit `Here weg` (2012):

Niet pluis, zeggen ze, helemaal niet pluis en trekken er een gezicht bij alsof ze verdwaald zijn in een eng, stikdonker bos.
Volgens de doktoren van de Mesdag is het goed mis met mijn agressiehuishouding.
En wie zijn ik en mijn strafblad om dat te weerspreken?
Ik deel meer uit, dan ik ontvang. Dat kan een huishouding nu eenmaal niet hebben.
Ja, ik kan knap uit de slof schieten. Ineens is het raak. Goed raak ook, dat staat vast! Maar het is eveneens een feit dat ik nog nooit iemand op zijn smoel heb geslagen die er niet om had gevraagd. Hooguit ging ik langer door dan hij verdiende.
Waarom? Blinde waas? Razernij?
Welnee, ik weet precies wat ik doe. Stoppen kan. Ieder moment. Maar dat is niet aantrekkelijk. Die cadans, hè. Die heerlijke souplesse. Een aangenaam soort hoger bewustzijnsniveau. Mijn eigen pijngrens vervaagt. En het is bijna alsof ik er van buitenaf aan mee doe. Alsof ik terzijde sta en scherp waarneem - zie, hoor - hoe mijn vuist smoort in het weke vlees van mijn tegenstander, hoe ik zijn lip splijt, zijn wenkbrauw.
Dat 'baff', dat je bij cartoons leest, zo klinkt het echt.

Kunst, denk ik wel eens. Het is kunst. En gewoon lekker!
Het gaat om het treffen. Met een knock out ben ik dik tevreden. Dood hoeft niet. Uitzonderingen daargelaten.
Spijt?
Ja, ja. Achteraf. Altijd. Nou ja, natuurlijk niet in de jaren dat ik bokste. Niet bij de wedstrijden en ook daarna niet, op de kermis. Als Redhead Paddy Malone deed ik het wel rustig aan, trouwens. Alleen als Boelo aan zijn linkeroor trok, mocht ik echt even los. Trok hij aan zijn rechter, dan ging ik bij eerstvolgende klap zelf neer. Hoorde er ook bij. Boelo wist precies wat het kermispubliek nodig heeft: een held, een schlemiel, een schurk en bloed aan de paal. De kunst is de goede volgorde. Boelo was daar een grootheid in.

Maar van de gewone knokpartijen had ik achteraf altijd spijt. Zoals een zuipschuit spijt heeft tijdens de kater. Je voelt dat de roes niets heeft gebracht dan de roes. Je had je tijd zoveel nuttiger kunnen gebruiken. En je ziet dat je afglijdt. Mensen gaan je mijden. Maar ja, de eerstvolgende slok is toch weer lekker. En op de duur weet je niet beter.
Soms sla ik er gewoon op. Omdat ze er om vragen.
Wroeging?
Je probeert het wel, omdat een mens kennelijk wroeging moet hebben. Eeuwenlang immers al het bestaansrecht van de kerk. En bij de rechter zet je ook je beste beentje voor. Maar het blijft bij schaamte. Omdat de goegemeente je zo primitief vindt, je met de nek aankijkt.
Niet iedereen, trouwens. Sommige vrouwen kicken op dat primitieve.
Maar daarmee poets je de schaamte niet helemaal weg.
Je probeert hem natuurlijk te ontlopen, die schaamte. Op een dwaalspoor te brengen. Als je daar een beetje bedreven in raakt, krijgt het grootste deel van je leven toch gewoon een plaatsje in het rijtje van de eerste LP, de eerste kus, de eerste brommer.

Mijn nachtmerrie heeft niks met mijn delicten te maken. Althans niet met de gepleegde delicten. Wel met het komende. Maar dat gaat Jo ter Hiele niks aan. Ik praat wekelijks met Jo. Sommigen noemen hem Sigmond Fruit, omdat hij graag een mandarijntje pelt tijdens het therapeuteren.

Jo vraagt of ik er een stijve van krijg. Van het meppen.
Nee, een stok in de broek, zeg ik. Dat moet ik hem vervolgens uitleggen. De sukkel!
Het heeft niks met echte seks te maken, lijkt mij. Het is meer als een ochtendstijve. Geen vrouw te bekennen en je hebt hem toch. Ik val op vrouwen. Ik sla mannen. En ik schiet alleen uit mijn slof als een man het er naar maakt.
Maar toegegeven: als ik bezig ben, is het wel lekker.
Ik ga er niet prat op. Welnee.
Zeg op, Jo, waarom sla ik? Waarom vind ik dat lekker? Waarom zijn er al twee dood? Als het je menens is met mij, kom je met een verklaring, Jo. En een oplossing. Je hebt er voor doorgeleerd, Jo.
Jo ter Hiele komt met een theorie. Hij meent dat ik eigenlijk doodsbang ben. Zo ongelooflijk bang dat iemand mij te pakken zal nemen, dat ik uit voorzorg zelf alvast maar klappen begin uit te delen.

'Kom op. Jo. Je kunt beter. Ik ben bokser. Natuurlijk sla ik als eerste. Herinner jij je de match Patterson tegen Liston? Binnen tien seconden k.o.'
'We spreken over delicten, Tjepko. Buiten de ring.'
'Kan het een familiekwaal zijn? De eerste klap is een daalder waard, zei mijn oom die in de handel zat.'
'Zoek uit waarom je bang bent.'
'Bang? Ik begin nooit zelf. Ze vragen er om.'
'Wat is vragen? Een treiterkop, een dronkenlap die een keer uithaalt? Als je die meteen in coma slaat, ben je toch ergens bang voor?'
'Iemand die bang is, draagt een wapen, Jo. Paft om zich heen.'
'Of hij denkt: als ik dood ben hoef ik niet meer bang te zijn.'
'Ah, ik wil mijn dood uitlokken! Suïcidaal? Maar ik ben het zonnetje in huis.'
'Dag in dag uit?'
'Nou vooruit: wisselend bewolkt met opklaringen en een enkele bui.'
'Vertel eens over die bui?'
'Denk je dat ik de hele dag argwanend over mijn schouder loop te kijken, Jo?'
'De vijand is misschien geen persoon.'
'Je bedoelt dat ik mij niet veilig voel in het leven?'
'Vertel eens waar je geboren bent. Uit wie?'
'Ga ik mij dan veiliger voelen?'
'Garantie krijg je alleen als je een strijkijzer koopt, Tjepko. Droom je wel eens?'
'Los van de natte, Jo?'
'Droom je wel eens?'
Godver.
'Waarom werp je de handdoek?'
'De handdoek? Welnee Jo. Dat was de bel. Deze ronde is voorbij. Even uitblazen en op naar de volgende. Denk om je mondbeschermer.'