Boeken

Fragment uit `Kerels van het Hoge Veen` (2006):

Levert Kelly

Iemand had hem destijds verteld dat overgrootva van overzee was gekomen. Uit Ierland.
Om binnen een maand overgrootmoe - op het dorpsfeest van Koekange - voor de neus van de schoolmeester weg te kapen. Een week voor hun trouwdag.
Levert Kelt was meteen in lachen uitgebarsten toen hij het hoorde. Een schorre stotende lach, die smoorde in een rochel. Als een kettinghond die net iets te ver springt.
Overgrootva was mij er eentje.
Ze waren Levert de Ier gaan noemen, hoewel hij geen woord over de grens sprak en zelfs nog nooit de zee had gezien.
Met Eppe Kiers, zijn kameraad, was hij drie winters geleden, toen het min was in het veen, een dag naar de Beulakker geweest om bij de boeren rond het meer te horen of er werk was in het riet.
Een grauwe dag met een gemene noordwester.
Een vruchteloze dag.
Geen werk. Alles al vergeven. Eigen jongens gingen voor.
Ook geen boot op het water.
Schuimkoppen hadden het opschot langs de oever gegeseld. Een grote donkere vogel was met wijduitstaande vleugels op de top van een golf geklauterd. In zijn gehaakte snavel een wanhopige vis.
De zee was nog tien keer zo erg, had Eppe hem bezworen.
Levert meende dat overgrootva dan een doorzetter moest zijn geweest. Daar putte hij moed uit als de dagen langer duurden dan zijn krachten toelieten. Dat bood hem hoop als Geesje Boes pannenkoeken en thee naar het veld kwam brengen voor haar vader.
Mooie Geesje Boes. Met de prachtige felrode vracht krullen.
Eppe had hem Janna aangeraden. Als vierde dochter van de weduwe Gorter was Janna immers zo goed als te geef. Geen klager en een sterk lijf. Zonder bezwaar zou zij met hem op kunnen werken en later ? als God hen genadig was ? ook onverschrokken zijn kinderen baren.
Levert had het afgehouden. Niemand kon tegen Geesje op.
En Janna Gorter was beter uit met de Poepe. Het was hem opgevallen dat de tanige voerman, die met zachte maar besliste stem de kidde mende, de laatste tijd vaker dan nodig in haar nabijheid zijn wagen kwam laden.
Levert mocht hem wel. De Poepe had gevoel in zijn donder, dat zag je zo. Nooit te beroerd om een ander bij te springen. En hij wist zijn plaats als buitenlander.
Meteen schoot Levert daarbij in de lach. Nee, dan zijn eigen overgrootva!
Eppe had een hekel aan de Poepe. Het was dat het een harde werker was, had Eppe gezegd, maar hij moest zich verder niks in de kop halen.
Levert was er echter van overtuigd dat de Poepe en Janna een mooi paar zouden vormen.
Hij en Geesje Boes trouwens ook. Niet alleen was Geesje stukken mooier dan Janna, ze was er ook één met een eigen wil. Ongenaakbaar kon ze zijn, als ze aan kwam lopen, haar rokken liet zwieren en met een uitdagende blik in de ogen naar de jongens knikte.
Dan stokte zijn adem. Dan sprong zijn hart op.
Nee, ze zouden hier niet altijd blijven. Hooguit de tijd die haar vader nog restte. Maar dan zou hij met Geesje wegtrekken. Naar een plek waar een mens fatsoenlijk kon leven. Misschien overzee, ook al waren de golven tien keer hoger dan op de Beulakker. Ze zeiden trouwens dat het één en al armoede was in Ierland. En dat je beter naar Amerika kon gaan. Misschien kon je langs Ierland naar Amerika.
Zou Geesje het met hem aandurven?

Levert had zich al eens wat verstaan bij haar vader, Rinse Boes. Zonder man en paard te noemen, natuurlijk. Gewoon een poosje samen op werken en zien wat er van komt.
De vader van Geesje, die vanwege zijn reumatiek maar matig meer kon meekomen in het veen, was hem dankbaar geweest voor de hulp. Terwijl hij even de rug rechtte, zei Rinse dat hij ook zo verrekte veel aan Geesje had. Altijd stond ze voor hem klaar. Ze was trouwens precies zijn Jantina van destijds. Zijn vrouw. Als twee druppels water.
Jantina had een eigen wil gehad.
O ja!
Niet hij had haar destijds uitgezocht, maar zij hem.
Niet dat het hem niet paste. Zeker niet.
Rinse Boes had er zachtjes bij gelachen. Van Geesje verwachtte hij precies hetzelfde.
Levert vroeg zich af of hij daar op moest wachten. Rinse Boes was vroeger een vlotte vent geweest, zeiden ze. Dansen als een edelman. Geen wonder dat zijn vrouw hem had gekozen
Een vlotte vent durfde hij zichzelf niet te noemen. Van dansen wist hij niets.
Lubbe Wamels zou roet in het eten kunnen gooien. Een lui varken, maar wel één die er goed op stond bij de meiden. Met zijn mondorgel en zijn gladde praatjes.
Levert had Geesje ook al eens in schateren horen uitbarsten na een opmerking van Lubbe.
Haar kwikzilveren lach was toen als een koude stalen haak in zijn hart geslagen. Pas op! Gevaar!
Eppe kon hem hierbij niet helpen. Hij moest Geesje Boes zelf een slag voor zien te blijven. Daarom had hij zich voorgenomen resoluut naar haar toe te stappen en haar te vragen. Het wachten was op een geschikte dag, een geschikt moment.
Tussen de stapels turf of in de onderwal achter de bocht zou hij haar vragen. Dat wist hij zeker.
Ach, wellicht niet eens vragen. Gewoon bij de hand pakken, meenemen en nooit meer loslaten. Overgrootva was er tenslotte voor van overzee gekomen. Uit Ierland.
Hij balde even stiekem de vuist. Toen draaide hij zich om en speurde de nevels op de horizon af. Wie weet was het vandaag die dag.
Ineens huiverde hij van het veen. IJzig trok het door zijn botten. Het beklemde zijn borst en trof hem in de buik met harde hand. Levert wilde het weglachen. Met een schorre stotende lach, die smoorde in een rochel.