Boeken

Fragment uit `de Zomer van '59` (2007):

"Hoe bevalt het je, trouwens?"
"Hoe bevalt wat?" Hilbrand ging ook op het aanmaakhout zitten.
"Riekie Pastoor in huis."
Hilbrand haalde de schouders op.
"Weet je al van wie het is?"
Hilbrand begreep dat Fokke het over de vader van Riekies kind had. "Ze praat er niet over."
Fokke trommelde met een paar aanmaakhoutjes op zijn been. "Van wie denk jij dat het is?"
"Hoe moet ik dat weten," zei Hilbrand stroef. "Het kan van de bullebak zijn. Of van Abe Lenstra."
"Abe? Dat zou wat zijn," bromde Fokke die een plakboek vol had over de Friese aanvaller. Hij legde de houtjes weg en liet zich van de stapel glijden. "Ik heb zitten prakkiseren. Het eh? staat voor mij vast. Ik zie af van Aaltje Edelveld."
Hilbrand keek zijn vriend aan en trok de wenkbrauwen op.
Fokke ging op de rand van de kruiwagen zitten. "Gisteravond heb ik het eens goed bekeken, maar eh? misse boel. Dat is klaar."
"Misse boel?"
"Ze is mij te druk en... te vrij. En ik ben ook niet gek op dat lachje."
"Mij zit het niet in de weg," zei Hilbrand.
"Hierbij onthef ik je van je opdracht," zei Fokke plechtig. "Ik zag je vanmorgen na kerktijd nog weer met Aaltje praten, maar dat hoeft niet meer."
Hilbrand knikte. "Het was geen moeite. Heb je al een ander op het oog?"
Fokke zweeg even. Toen mompelde hij nadenkend: "Mogelijk. Ik weeg de voors en de tegens. Maar kom, ik heb de radio naar beneden gehaald. Misschien is er wat op."
Hilbrand stond op en zei zo neutraal mogelijk. "Er is nog een klein probleempje. Ik heb Aaltje eh? besproken voor vanavond. En eindje de wijk op. Ik wist immers niet dat je niet meer wilde."
In de geopende schuurdeur zei Fokke resoluut: "Zeg haar maar af. Mijn besluit staat vast." Hij ging naar binnen en begon de antennedraad onder de balken te spannen.
"Zal ik dan vanavond even met haar oplopen," opperde Hilbrand nonchalant. "Op het laatste moment afzeggen is ook zo iets."
"Net wat je wilt," meende Fokke. Hij deed de stekker in het stopcontact en zette de radio aan. Het groene oog gloeide op in de buurt van Berom?nster.

?s Woensdagsavonds bracht Hilbrand het gerepareerde keukentrapje terug naar een weduwe aan de negende wijk. Het mens was de koning te rijk dat ze nu de ramen weer kon lappen.
Op de terugweg over het jaagpad langs het kanaal kwam hij langs de Eben Ha?zer. Al van een afstand zag hij Aaltje bezig op het achterschip. Met de handwas.
Onder de oude overhangende eik aan het jaagpad was hij ongemerkt stil blijven staan.
Bijna ademloos keek hij toe.
Hij zag hoe ze licht gebukt boven de was-aker steeds met een zijdelingse hoofdbeweging het dikke haar achteruit gooide. Het haar dat in de laagstaande zon gloeide als een opgepookt kolenvuur. Hij zag hoe ze haar blote armen, die van albast leken, diep in de was-aker stak en het druipende wasgoed er uit tilde. Hoe ze het water er uitwrong met sterke handen, het daarna uitsloeg en ophing aan de lijn boven het roefje. Hoe ze tegen het licht stond in het witgebloemde zomerjurkje, dat langs haar benen opkroop, telkens als ze op de tenen moest om het wasgoed met een knijper vast te zetten. Hij zag de jurk doorzichtig worden en haar lijf aan hem prijs geven. Net als de kuiltjes achter haar knie?n en een geheimzinnige schaduw aan de binnenkant van haar dijen.
Ontroering gleed zijn keel in en zaaide zich uit in zijn lichaam. Om weer naar buiten te komen als kippenvel.
Hij ging in haar op. In zijn hoofd leek het denken even stilgezet. Op ??n niet te stuiten gedachte na. Nooit zou er iemand zijn die hij begeerlijker zou vinden, nooit een lijf dat zo?n genot was. Daarom mocht het nooit genoeg van hem krijgen.
Toen zag hij dat ze haar gezicht bette met natte vingers, dat ze plaatsnam op een krukje aan de schaduwkant van het schip, dat ze achteroverleunde tegen het roefje en haar handen met de palmen naar boven op de knie?n te drogen legde.
Hij haalde diep adem en voelde de gewichtigheid van het moment als gewoon zweet langs zijn nek wegglijden.
Ineens lag er een stevige hand op zijn schouder.
"Lijkt het je wat, jong?" bromde de stem van Klaas Edelveld.
Hilbrand wist niets te zeggen. Hij knikte alleen een paar keer.
"Mooi," zei de turfschipper met een grijns. "Ik ben ook gek op dat schip. Eeuwig zonde, dat wij niet kunnen varen."
Toen werd Hilbrand zichzelf weer de baas. "De boot mag dan vast liggen,"zei hij monter, "maar de lading heeft hier een goede bestemming gevonden."
Klaas Edelveld sloeg hem op de schouder. "Zo mag ik het horen," riep hij. "Kom, de vrouwen zullen de koffie wel klaar hebben."